Biochemie en aromatherapie

 

We kijken nu naar de chemie van die bestanddelen om de werking later beter te begrijpen. Het betreft verschillende molecuulgroepen die de vluchtigheid maar ook de werking van de oliën bepalen.

  • Terpenen (mono-, sesqui- en di-terpenen)
  • Geoxideerde terpenen (moleculen die een reactie met zuurstof zijn aangegaan) ofwel Terpenolen :
    • Fenolen
    • Aldehyden
    • Esters
    • Lactonen en
    • Coumarines

 

Terpenen (mono-, sesqui- en di-terpenen)

De onderverdeling binnen te terpenen heeft te maken met de mate van vluchtigheid van de olie. Daarbij zijn de mono-terpenen de meest vluchtige. De bekendste zijn de pineen uit denneolie en de limoneen uit citroenolie.

Monoterpenen: voornamelijk stimulerende oliën die een sterk antiseptische en zelfs antivirale eigenschappen hebben. Daardoor worden ze veel meer in de verdamping gebruikt.

Fysiek zijn er ook studies mee gedaan en wel met Limoneen i.v.m. antitumor activiteit en Pineen “oplossende werking in de luchtwegen” door Zeng in 1992.

Sesquiterpenen: zwaarder dan mono-terpenen, minder vluchtig, dus minder snel aan oxidatie onderhevig, sterkere geur.
Eigenschappen: ontstekingsremmend (bijv. De azulenen in kamille en duizendblad en caryophylleen in kruidnagel) en kalmerend (caryophylleen)

Di-terpenen: zelden gebruikt in etherische oliën.

 

Geoxideerde Terpenen

De geoxideerde Terpenen zijn moleculen die een reactie met zuurstof zijn aangegaan en worden ook wel de Terpenolen genoemd.

Mono-terpenolen: algemeen antiseptisch, ontstekingsremmend en vaak ook een schimmeldodende werking. Mono-terpenolen zijn ook vriendelijker in gebruik dan de zuivere terpenen. Voorbeelden zijn:

  • terpineen-4-ol dat een belangrijk bestanddeel is van tea-tree.
  • Linalol in de lavendel oliën en
  • Citronellol en geraniol in de geranium oliën.

Dit soort oliebestanddelen kunnen ook preventief worden ingezet.

Sesqui-terpenolen: ontstekingsremmend (bisabolol in blauwe kamille), antiseptisch (santalol in sandelhout), antimalaria werking (nerolidol in niaouli) en kalmerend (santalol)

Fenolen: Fenolen zijn zeer sterke antibacteriële moleculen. Bijna geen enkel micro-organisme wil groeien in fenol houdende middelen Ze stimuleren de afweer en zijn verwarmend.

Fenolen komen veel voor in tijm, bonenkruid, oregano en kruidnagel. De bekendste fenolen zijn Thymol uit tijm , carvacrol en eugenol. Eugenol in kruidnagel heeft pijnverdovende eigenschappen en doodt schimmels.

 

 

Aldehyden

Aldehyden geven de kalmerende eigenschappen aan plantenoliën. De aldehyde moleculen zijn verantwoordelijk voor de citroengeuren van bijv. Lemongrass, litsea, citronella en citroenmelisse.

Bekende aldehyden zijn citral, citronellal en cuminal. Citral heeft antibacteriële en antivirale eigenschappen.

 

Verdere groepen

Esters: Moleculen die zorg dragen voor de kalmerende en krampstillende werking van de oliebestanddelen. Esters hebben een zachte werking en kunnen dus hoog gedoseerd dagelijks gebruikt worden , ook uitwendig.

Een hoog gehalte aan esters hebben kamille, lavendel, bergamot en scharlei. Sommige esters hebben een schimmeldodende werking zoals bijvoorbeeld ageranyl acetaat uit geranium

Ketonen: Ketonen vormen een molecuulgroep waarmee men voorzichtig moet zijn, Daar zijn ook toxische varianten tussen.

Gelukkig zijn er ook een aantal niet toxisch en goed therapeutisch inzetbaar zoals jasmon in jasmijnolie en isomenthon in geranium. Ketonen hebben een slijmoplossend effect en zijn huid regenererend. Bekend hierom zijn rosemarijn en hysop

Oxiden: Bekendste oxide is cineol. Werkt slijmoplossend en komt voor in eucalyptus, ravensara, niaouli, rozemarijn en laurier. Ook is het een laag bestanddeel maar wel krachtig in de synergie met andere bestanddelen in tea tree.

Lactonen: Lactonen komen o.a. Voor in geperste citrusolien. Ze dragen bij aan slijmoplossing en afvoer en zijn verantwoordelijk voor de werking van arnica en de alant

Coumarines: Coumarines zijn een soort lactonen. Ze vormen altijd maar een heel klein bestanddeel en zorgen voor het kalmerende karakter van een olie. Deze hoeveelheden zijn ook afhankelijk van de plek waar de oliën groeien. Zo heeft een alpenlavendel een hoger gehalte aan coumarines dan een laagland lavendel. Geperste citrusolien bevatten speciale coumarines; de furanocoumarines.

In combinatie met zonlicht op de huid kunnen deze bij sommige mensen voor een fototoxisch effect zorgen. Hierdoor kunnen blaren, roodheid en pigment ophopingen op de huid ontstaan.

Door de werkzaamheid van deze biochemische ingrediënten in de etherische oliën kunnen deze als therapeutische eigenschappen de volgende effecten geven:

  • Antiseptisch en antibacterieel; vernietiging en voorkoming van de ontwikkeling van bacteriën.
  • Ontstekingsremmend; vermindert en bestrijdt zwelling en irritatie
  • Fungicide; voorkomen en bestrijden van schimmelinfecties
  • Weefselherstel; door vorming van granulatie. Wanneer granulatieweefsel een bepaald niveau bereikt zal het bedekt worden met epitheelweefsel.
  • Zuiverend: ontgiftend
  • Insectenwerend
  • Vaat verwijding; plaatselijke toename van de hoeveelheid bloed
  • Doorbloeding bevorderend: werken als een samentrekkende stof
  • Lymfe stimulerend
  • Slijmoplossend
  • Krampstillend en sederend